Al eeuwen gaat er een gerucht, dat er in Tibet, Egypte en Zuid-Amerika grotten zijn, waar machinerieën, films, veel soorten gebruiksvoorwerpen en kennis van vroegere beschavingen liggen opgeslagen. De grotten zijn verzegeld en de ligging is slechts bekend bij enkele hoge geestelijken. De kennis zal worden vrij gegeven, als de tijd rijp is. Dat is: als de mensheid haar kinderfase te boven is.
(T. Lobsang Rampa, een hoge geestelijke, bezocht als jong kloosterling zo'n grot in Tibet. Hij beschrijft dit in zijn boek "The Cave of the Ancients". Het gebeuren speelt zich ongeveer honderd jaar geleden af.)
Vele miljoenen jaren geleden waren er diverse beschavingen op Aarde. Die hebben elkaar verwoest met nucleaire oorlogen. Ruim voor de vernietiging, die de Vloed veroorzaakte, borgen wijze mensen de tot dan opgedane kennis en allerlei gereedschappen in grotten, waardoor ze vanwege de constante temperatuur de tand des tijds zouden kunnen weerstaan. De grotten waren hoog in de bergen of diep in onbewoonde oerwouden, zodat ze hoogstwaarschijnlijk niet zouden worden vernietigd, als er een catastrofe zou komen. Ze werden verborgen onder lagen zand, waar het oerwoud ze nog verder zou verbergen of onder grote hoeveelheden puin en rotsblokken.
In de tweede helft van de negentiende eeuw was er in Tibet, in de buurt van de hoofdstad Lhasa, hoog in de bergen een enorme steenlawine. Vier hoge lama's en hun leerlingen gingen kijken en na een uiterst moeizame en gevaarlijke klim bereikten ze de plaats van de lawine. Ze vonden, min of meer bij toeval, een spleet in een hoge rotswand, die was vrij gekomen, doordat een hoop rotsen, die de opening verborgen had gehouden, met de lawine naar beneden stortte.
Sinds de Chinezen in Tibet zijn, is de spleet weer zorgvuldig verborgen. Er zijn kaarten, waar de exacte plaats op is aangetekend. Maar die zullen pas worden vrij gegeven, als de krachten van de vrijheid de wereld zullen overheersen.
Op een gegeven dag gingen we, mijn leermeester en ik, plus enige lama's, de bergen in. Na een dagenlange gevaarlijke tocht stonden we voor de ingang van de grot. Ik moest als eerste het absolute donker in om eventuele stukken rots aan de kant te schuiven. Achter mij hoorde ik de anderen voorzichtig voorwaarts schuifelen. Plotseling werd het om me heen licht en een ogenblik stond ik verstijfd van schrik. Ik stond bewegingloos naast de rotswand en staarde naar het fantastische tafereel voor me. De Grot leek wel twee maal zo groot te zijn als een reusachtige kathedraal. Dit was heel anders dan onze kathedralen in Lhasa, die altijd in een schemerdonker waren gehuld met slechts brandende olielampjes, die het duister tevergeefs trachten te verdrijven. Hier was de helderheid intenser, dan die van de volle maan in een onbewolkte nacht. Nee, het was veel helderder dan dat. De kwaliteit van het licht moest me de indruk van maanlicht hebben gegeven. Ik staarde omhoog naar de bollen, die voor de verlichting zorgden. De lama's verdrongen zich rond mij en, net als ik, staarden ze eerst naar de herkomst van het licht. Mijn Leermeester zei: "De oude geschriften geven te kennen, dar de verlichting hier oorspronkelijk veel helderder was. Deze lampen branden nu, na vele honderden eeuwen, veel minder helder".
Een hele tijd stonden we stil, zwijgend, alsof we bang waren om hen, die gedurende eindeloze jaren hadden geslapen, wakker te maken. Dan, alsof we ineens dezelfde opwelling kregen, liepen we over de harde stenen grond naar de eerste machine, die alsof hij sliep voor ons stond. We gingen er omheen staan, een beetje bang om het aan te raken en toch benieuwd genoeg om te weten te komen, wat het was. De machine was door de ouderdom dof geworden, maar het scheen gereed voor onmiddellijk gebruik - als iemand wist, waar het voor diende en hoe het in werking te stellen. Andere toestellen trokken onze aandacht, ook zonder resultaat. Deze machines waren voor ons al te ingewikkeld. Ik dwaalde wat van de groep af en stond ineens voor een klein vierkant podium, dat ongeveer een meter breed was en waar een beschermend hekwerkje omheen was. Het stond op de grond. Er was een lange, geplooide metalen buis te zien, die aan een machine in de buurt was bevestigd en het podium was aan het andere eind van de buis vast gemaakt. Ik vroeg me af wat het kon zijn en stapte argeloos over het hekje op het vierkant. Het volgende moment stierf ik bijna van de schrik. Het podium trilde een beetje en rees hoog de lucht in. Ik was zo bang, dat ik me vertwijfeld aan het hekje vast klemde. Ver beneden mij staarden de zes lama's ontzet naar boven. De buis had zich ontvouwen en duwde het podium recht naar een van de lichtbollen. Wanhopig keek ik over de rand. Ik was al zo'n tien meter hoog en nog steeds ging het ding verder. Mijn grote angst was, dat de lichtbron me zou verbranden tot een knapperig hapje, zoals een mot in de vlam van olielamp. Toen kwam er een "klik" en het podium kwam tot stilstand. Vlak bij mijn gezicht gloeide het licht. Voorzichtig strekte ik mijn hand uit en ik voelde, dat de bol ijskoud was.
Ik was nu een klein beetje tot mezelf gekomen en keek voorzichtig om me heen. Dan kwam er een bloedstollende gedachte bij me op: "Hoe kom ik beneden?" Zenuwachtig sprong ik van de ene naar de andere kant en probeerde een manier te
vinden om weg te komen, maar het leek er op, dat er geen uitweg was. Ik probeerde bij de nu lang uitgerekte buis te komen, in de hoop, dat ik daar langs naar beneden kon klimmen, maar ik kon er niet bij. Juist toen ik wanhopig begon te worden, was er weer die trilling en het podium begon naar beneden te zakken. Voordat het de grond raakte, sprong ik er haastig af. Ik nam niet het risico, dat het ding opnieuw naar boven zou gaan.
Het platform
Tegen een verder verwijderde muur stond een groot standbeeld in een liggende houding. Een beeld, dat me de rillingen over de rug deed lopen. Het was een liggende kat, maar met het hoofd en de schouders van een vrouw. De ogen leken te leven. Het gezicht keek gedeeltelijk ironisch en gedeeltelijk spottend, wat me nogal bang maakte. Een van de lama's lag op zijn knieën op de grond en keek intens naar enkele heel vreemde tekens. "Kijk", riep hij, "deze tekening laat mensen en poezen zien, die met elkaar praten. Het toont duidelijk een ziel, die een lichaam verlaat en in de onderwereld verdwijnt". Hij werd verteerd door een wetenschappelijk vuur en verdiepte zich in de afbeeldingen op de grond - hiërogliefen noemde hij de tekens - en hij verwachtte, dat de anderen even enthousiast zouden reageren. Deze lama was zéér geschoold en hij had zonder enige moeite oude talen geleerd. De anderen scharrelden rond de vreemde machines en probeerden uit te zoeken, waar ze voor dienden. Ineens klonk er een schreeuw en we draaiden ons snel om, geschrokken, in de richting van het geluid. Een van de lama's stond verderop bij een muur en het scheen of zijn hoofd vast zat in een dof glanzende metalen doos. Hij stond daar met zijn hoofd gebogen en zijn hele gezicht was verborgen. Twee mannen renden naar hem toe en trokken hem uit de gevarenzone weg. Hij bromde boos en stak zijn hoofd snel weer in het vreemde toestel.
"Vreemd", dacht ik, "zelfs bezadigde en geleerde lama's gedragen zich in deze ruimte een beetje anders". De lama stapte opzij en een ander nam zijn plaats in. Voor zo ver ik het kon bekijken, zagen ze werkende machines in die doos. Op het laatst kreeg mijn Leermeester medelijden met mij en tilde mij op naar iets, wat op "oogglazen" leek. Toen ik was opgetild en mijn handen op een hendel legde, zoals me was verteld, zag ik in de doos mannen en de machines, die in deze hal stonden. De mensen lieten de machines werken. Ik zag, dat het platform, waar ik mee omhoog was gegaan, kon worden bediend en dat het een soort beweegbare "ladder" was of liever gezegd een toestel, dat ladders overbodig maakte. De meeste machines, die ik hier zag, waren in werkelijkheid werkende modellen, zoals ik die later in wetenschappelijke musea over de hele wereld te zien zou krijgen.
De duisternis
We gingen naar een paneel, waar mijn Gids me enige weken geleden al over had verteld. Op onze nadering opende de schuif zich met een geknars dat door merg en been ging. Het klonk in de stilte van de grote hal zo luid, dat ik vermoed, dat we allemaal geschrokken terugdeinsden. Binnen in deze zaal was de duisternis zeer diep. Het leek wel of er zwarte wolken rond ons dwarrelden. Onze voeten werden geleid door ondiepe sporen in de vloer. We schuifelden voorzichtig verder en aan het eind van de sporen gingen we zitten. Toen we daar zo zaten, hoorden we eens reeks klikken, alsof er metaal tegen metaal kraste en bijna onmerkbaar kwam er enig licht tevoorschijn, die de duisternis verdreef. We keken rond en zagen nog meer machines, vreemde toestellen. Er stonden standbeelden en er hingen op metaal gegraveerde afbeeldingen. Voor we de tijd hadden meer dan een glimp van dat alles op te vangen, concentreerde de lichtbundel zich op één punt en vormde een gloeiende bol in het midden van deze Hal. Kleuren flikkerden doelloos en strepen licht warrelden zonder kennelijke bedoeling rond de bol. Toen vormden er zich beelden. Eerst vaag en onduidelijk, dan werden ze helder en werkelijk en drie-dimensionaal. We keken gespannen toe...
Wat we zagen was de wereld van Lang Lang Geleden.
Voor de zondvloed
Toen de wereld nog erg was. Bergen verrezen, waar nu zeeën zijn en op de plezierige recreatie oorden aan de kust van toen steken nu bergtoppen in de lucht. Het weer was gemiddeld warmer en vreemde schepselen zwierven op het veld. Dit was een wereld van wetenschappelijke vooruitgang. Vreemde machines bewogen zich voort. Ze hingen een paar centimeter in de lucht. Of ze vlogen kilometers hoog in de lucht. Torens van grote tempels verhieven zich in de lucht, alsof ze de wolken tartten. Dieren en mensen spraken telepathisch met elkaar.
Maar het was niet allemaal gelukzaligheid. Politici knokten tegen politici. De wereld was in twee kampen verdeeld en aan beide kanten werd het land van de ander begeerd. Argwaan en angst waren de wolken, waar de gewone mens onder leefde. Priesters van beide kanten verklaarden, dat alleen zij de gunstelingen van de goden waren. Op de beelden voor ons zagen we bombastische priesters die hun eigen heilsboodschap brachten. Voor een prijs natuurlijk. De priesters van elke sekte leerden, dat het een "heilige plicht" was om de vijand te doden. Bijna in één adem predikten zij, dat de mensheid over de hele wereld broeders zijn. De tegenstrijdigheid van het broeder doodt broeder drong niet tot hen door.
Wij zagen grote oorlogen en de meeste slachtoffers waren burgers. De gewapende machten, veilig achter hun pantsering, waren tamelijk beschermd. De bejaarden, de vrouwen en kinderen, die niet vochten, waren degenen, die het meest te lijden hadden. We zagen vluchtig wetenschappers, die in laboratoria werkten en nog dodelijker wapens ontwikkelden om op de vijand neer te gooien.
Een reeks beelden toonde ons een groep bedachtzame mannen, die bezig was plannen te maken om een "tijdcapsule" te creëren. Wij noemen dat de Grot der Ouden, waar wij nu zaten. Ze zouden daar modellen van hun machines in zetten om ze aan latere generaties te laten zien. Ook een compleet beeldverslag van hun cultuur. Of het gebrek er aan. Enorme machines holden de harde rotsen uit. Een hele menigte mensen bracht de modellen en de machines in de ruimtes. We zagen de installatie van de lichtbollen. Traag werkende radioactieve substanties zouden gedurende miljoenen jaren voor licht zorgen. Traag in die zin, dat het niet schadelijk voor mensen zou zijn. Het licht zou werkzaam zijn tot bijna het eind der tijden.
We merkten, dat we de taal konden verstaan. Er werd getoond hoe dat kon. We kregen het verhaal telepathisch door.
Kamers als deze, ofwel "Tijdcapsules", waren eveneens verborgen onder een woestijn in Egypte, onder een piramide in Zuid-Amerika en op een bepaalde plaats in Siberië. Elke plaats was aangeduid met het symbool van die tijden: de sfinx. We zagen de enorme standbeelden van de sfinx, en die stonden nièt alleen in Egypte, en we kregen een verklaring over de vorm van het beeld. Mens en dier werkten in die lang vervlogen tijden nauw samen. De kat was het volmaakste dier wat betreft kracht en intelligentie. De mens zelf is een dier, dus de Ouden maakten een afbeelding van een groot kattenlichaam om de kracht en het uithoudingsvermogen weer te geven en op dat lichaam boetseerden ze de borsten en het gezicht van een vrouw. Het hoofd symboliseerde de menselijke intelligentie en de rede, terwijl de borsten aangaven, dat mens en dier spiritueel en mentaal voedsel van elkaar konden opnemen. Dat symbool was toen even algemeen, als tegenwoordig boeddha beelden, de davidster of het kruisteken.

We zagen oceanen, waar grote drijvende steden steden op koersten, die van land naar land voeren. In de lucht vlogen soortgelijke grote voertuigen, die zich geluidloos voortbewogen. Ze konden stil blijven hangen en dan bijna ogenblikkelijk met een verbazingwekkende snelheid weg schieten. Op de grond bewogen zich voertuigen voort, die enige centimeters boven de grond hingen. Ze werden op de een of andere manier in de lucht gehouden, maar we konden niet achterhalen hoe.
Over de steden strekten zich een soort bruggen uit, die aan dunne kabels waren opgehangen. Ze leken op wegen. Terwijl we zaten te kijken, zagen we in de lucht een heldere flits en een van de grootste bruggen stortte neer in een wirwar van balken en kabels. Een andere flits en het grootste deel van de stad verdween en verdampte. Boven de ruïnes torende een vreemdsoortige kwaadaardig uitziende rode wolk, ruwweg in de vorm van een paddestoel. De wolk was kilometers hoog.
De beelden vervaagden en we zagen opnieuw de groep mannen, die de plannen voor de "Tijdcapsule" had ontworpen. Ze hadden besloten, dat het nú de tijd was om ze te verzegelen. We zagen de rituelen, we zagen de "ingeblikte herinneringen", die in de machines werden aangebracht. We hoorden een woord van afscheid
en daar werd in gezegd - "Het Volk van de Toekomst, als er al een volk zal zijn" - dat de mensheid bezig was zichzelf te vernietigen, tenminste dat leek zeer aannemelijk, "en in de gewelven zijn zodanige gegevens van onze verworvenheden en stommiteiten opgeslagen, dat ze ten goede zouden kunnen komen aan een toekomstig ras, dat de intelligentie heeft om dit alles te ontdekken en in staat is het allemaal te begrijpen". De telepathische stem stierf weg en het scherm werd zwart. We zaten daar in diep stilzwijgen, met stomheid geslagen door wat we hadden gezien. Later, toen we daar zo zaten, ging het licht opnieuw aan en we zagen, dat het licht nu in werkelijkheid van de muren van die kamer afstraalde.
We stonden op en keken om ons heen. Deze hal was ook gevuld met machinerieën en er waren veel afbeeldingen van steden en bruggen, allemaal gemaakt van de een of andere soort steen of metaal, waar we de aard niet van konden achterhalen. Sommige tentoon gestelde voorwerpen werden beschermd door het een of ander doorzichtig materiaal, wat ons voor raadsels plaatste. Het was geen glas. We wisten gewoon niet wat het voor spul het was. Wel wisten we, dat het effectief genoeg was om ons er van te weerhouden bepaalde modellen aan te raken.
Plotseling deinsden we allemaal achteruit. Een onheilspellend rood oog hield ons in de gaten en het scheen naar ons te flikkeren. Ik stond gereed om hard weg te rennen, toen mijn Gids zich naar de machine met het rode oog begaf. Hij keek er op neer en raakte hendels aan. Het rode oog verdween. In plaats daar van zagen we op een klein scherm een afbeelding van nog een andere kamer, waar je van uit de grote hal kon komen. In ons brein vingen we een boodschap op. "Als u van hier weg gaat, ga dan naar kamer (?), waar u materialen vindt, waar u alle deuren mee kunt openen en sluiten. Indien u nog niet het stadium in de evolutie heeft bereikt om onze machines te bedienen, verzegel deze plaats dan en laat het intact voor hen, die later zullen komen".
Zwijgend liepen we achter elkaar naar de derde kamer. Toen we dichterbij kwamen, ging de deur vanzelf open. De kamer bevatte veel zorgvuldig verzegelde bussen en een soort machine, die ons toonde hoe we de bussen konden openen en hoe we de ingang van de grot konden verzegelen.
We gingen op de grond zitten en bespraken wat we hadden gezien en ondergaan. "Fantastisch, fantastisch", zei een lama. "Ik zie er niets fantastisch in", zei ik, als kind tussen de volwassenen, brutaal. "We zouden dat allemaal hebben kunnen zien inDe Akasha Kroniek. Waarom zouden we niet naar de beelden van de tijdstroom kijken en nagaan, wat er is gebeurd, nadat deze plek werd verzegeld?" De anderen keken vragend naar de oudste van de groep, mijn Leermeester. Deze knikte even en merkte op: "Soms toont onze Lobsang de eerste verschijnselen van intelligentie. Laten we bij elkaar gaan zitten en zien wat er gebeurt. Ik ben even nieuwsgierig, als jullie".
De Akasha kroniek
We gingen ongeveer in een kring zitten en strengelden onze vingers op de voorgeschreven wijze in elkaar. Mijn gids begon in een duidelijk ritme adem te halen en wij deden hem dat na. Langzamerhand verdween onze aardse persoonlijkheid en we werden iemand, die zweefde in de Zee des Tijd. Alles, wat ooit is gebeurd, kan worden waargenomen door hen, die in staat zijn bewust in de astrale wereld te schouwen en dan terug te keren - bewust - met de daar vergaarde kennis. Elk beeld in de geschiedenis, het maakt niet uit van welk tijdsbestek, kan worden waargenomen, alsof men daar in werkelijkheid bij was.
Ik herinner me de eerste maal, dat ik De Akasha Kroniek had gezien. Mijn Leermeester had me er over verteld en ik had gevraagd: "Ja, maar wat is het? Hoe werkt het? Hoe kàn men in aanraking komen met zaken, die zijn gebeurd, die fini zijn?" "Lobsang", had hij geantwoord, "je zult moeten toegeven, dat je een geheugen hebt. Je kunt je herinneren, wat er gisteren is gebeurd en eergisteren en de dag daar voor. Met een beetje oefening kun je je alles herinneren, wat er in je leven is gebeurd. Als je je er op traint, kun je zelfs herinneren hoe je werd geboren. Je kunt wat wij noemen een "algehele herinnering" krijgen en dat kun je terug voeren op situaties, die vóór je geboorte plaats vonden. De Akasha Kroniek is niet meer dan de "herinnering" van de gehele wereld. Alles, wat er ooit in deze wereld is gebeurd, kan worden "terug geroepen", precies op dezelfde manier als jíj je vroegere gebeurtenissen in je leven kunt herinneren. Dat heeft allemaal niets te maken met magie of zo".
Door onze vroegere training was het al erg gemakkelijk om terug te gaan naar het punt, waar de machine de beeldenreeks had afgebroken. We zagen een grote groep mannen en vrouwen de grot, waar wij ons nu in bevonden, verlaten. Ongetwijfeld waren dat de notabelen van die tijd. Machines met enorme grijparmen schoven wat op een halve berg leek over de ingang van de grot. De barsten en openingen, die nog in de oppervlakte te zien waren, werden zorgvuldig onzichtbaar gemaakt en de groep mensen en werklui verdween. De machines verdwenen in de verte en gedurende enige maanden heerste er rust op die plek.
Toen zagen we een hogepriester, die op de treden van een enorme piramide stond en die zijn toehoorders tot oorlog aanspoorde. De beelden, die op de Rollen der Tijd stonden gedrukt, speelden zich verder en verder af en ze veranderden. We zagen de leiders van het andere kamp. Ze gebruikten hoogdravende taal en opzwepende woorden. De tijd ging verder. We zagen witte strepen van rook in de blauwe lucht en dan veranderden de luchten in rood. De hele wereld beefde en wankelde. Wij, die zaten toe te kijken, voelden ons duizelig. De donkerte van de nacht viel over de wereld. Zwarte wolken, doorkliefd door heldere vlammen, dwarrelden rond de hele aardbol. Steden vlamden even en waren dan verdwenen.

Over het land golfden de woedende zeeën. De wateren schoven alles voor zich uit. Een reusachtige golf, hoger dan het hoogste gebouw was geweest, raasde over het land. De schuimkop droeg de wrakstukken van een stervende beschaving met zich mee. De Aarde donderde en schudde als in een doodsstrijd. Enorme afgronden ontstonden en sloten zich weer als de gapende pens van een reus. De bergen zwiepten als de twijgen van een wilg in een storm, wankelden opnieuw en verzonken in zee. Landmassa's rezen uit de wateren op en werden bergen. Het gehele oppervlak van de wereld veranderde en was voortdurend in beweging. Een paar verstrooide overlevenden, enkele van vele miljoenen, vluchtten gillend naar de pas verrezen bergen. Anderen, drijvend op schepen, die op de een of andere manier de ontreddering hadden doorstaan, bereikten de nieuw gevormde kustlijnen en vluchtten naar het gaf niet welke schuilplaats.
De Aarde zelf stond stil en hield op met om haar as te draaien en begon toen in tegenovergestelde richting te draaien. Wouden veranderden in een oogwenk in rondvliegend as. Het aardoppervlak werd troosteloos ten gronde gericht en verkoold. In diepe holen of in lava tunnels van uitgedoofde vulkanen kroop een verstrooid handjevol van de aardse bevolking weg. Half gek geworden van angst door deze catastrofe en brabbelend over het schrikbeeld.
Van uit de zwarte luchten viel een witachtige substantie, zoet van smaak en leven versterkend.
In de loop van de eeuwen veranderde de Aarde opnieuw. De zeeën waren nu land en waar land was geweest, waren nu zeeën. Bij een laag gelegen vlakte waren de rotsen gebarsten en uit elkaar gescheurd en de wateren stortten zich in de vlakte om de Zee te vormen. Die staat nu bekend als de Middellandse Zee. Een andere dicht daar bij gelegen zee stroomde leeg door een kloof in de zeebedding. Het water verdween en de zeebedding droogde op. De Sahara was ontstaan.
Over het aardoppervlak zwierven later wilde stammen, die bij het schijnsel van hun kampvuren oude legenden vertelden. Ze spraken over de Vloed, over Lemuria en Atlantis. Ze vertelden ook over de dag, dat de Zon Stil Stond.
De Grot der Ouden lag in het slib van een half verdronken wereld begraven. Veilig voor indringers. Hij rustte ver beneden het aardoppervlak. In de loop der tijden zouden snel stromende beken het slib en het puin weg spoelen en de rotsen zouden eens te meer in de zonneschijn staan. Op het laatst, door de zonnehitte of sterk afgekoeld door ijsafzetting, zou de rotswand met donderend geraas splijten en zouden wìj in staat zijn naar binnen te gaan.
Het contrast
We schudden ons en strekten onze verkrampte benen uit en stonden moeizaam op. Deze ervaring was schokkend geweest. Nu moesten we iets gaan eten, gaan slapen en morgen zouden we weer wat om ons heen gaan kijken en misschien iets leren. Dan, als onze missie was vervuld, zouden we de ingang dicht metselen, zoals was verzocht. De Grot zou opnieuw slapen, totdat er mensen van goede wil en een grote intelligentie zouden opdagen. Ik liep naar de ingang van de grot en keek neer op de troosteloze helling, op de gescheurde rotsen en ik vroeg me af wat een man uit de Oude Tijden zou denken, als hij uit zijn graf kon verrijzen en naast me zou staan, hier.
Toen ik me omdraaide en naar binnen liep, verbaasde ik me over het contrast. Een lama was bezig met een vuursteen en een tondel een vuur te maken van gedroogde yak mest, die we voor dat doel hadden mee gebracht. Rondom ons stonden de machines en kunstschatten uit een vervlogen tijdperk. Wij - moderne mensen - kookten water boven een vuur van mest, omringd door zulke wonderlijke machines, dat ze boven ons begrip gingen. Ik zuchtte en wijdde mijn aandacht aan het zetten van de thee.

Dit is de samenvatting van de leer van Lobsang T. Rampa. Er is nog een twintigtal boeken van hem beschikbaar.
|